• Homepage
  • Reisverslag van een gesprek in wording over kennis en inspiratie

Reisverslag van een gesprek in wording over kennis en inspiratie

Door Obiozo Ukpabi

– 1. Aan boord

Toen ik in 2019 betrokken raakte bij Building Conversation als gespreksbegeleider was ik gefascineerd door de gespreksvormen die gebruikt worden om samen met deelnemers te onderzoeken hoe we met elkaar spreken en hoe wat dat zouden kunnen doen. Naast de toepassingen was ik benieuwd naar de mix van inzichten en benaderingen uit verschillende kennisbronnen en disciplines die op een of andere manier als inspiratie hadden gediend bij het ontwerpen van de gespreksvormen.

In de jaren dat ik actief ben in inclusieve dialoog, gerechtigheid en conflict transformatie was een vaak terugkerend onderdeel van mijn werk om collega’s en andere belanghebbenden te helpen zich meer bewust te worden van hun vooroordelen en blinde vlekken. Daarbij gebruik ik liefst benaderingen waarbij partijen aan alle kanten (in onderzoek, actie of leren) deelnemers zijn in een wederkerig proces.   

Je zou kunnen zeggen dat ik een gevoeligheid heb ontwikkeld voor het spotten van blinde vlekken. Vooral in die situaties waarin onze goede bedoelingen ons misschien achteloos maken. Waardoor we niet (genoeg) de zorgvuldigheid en zelfreflectie betrachten die nodig zijn om te voorkomen dat we met ons gedrag, onze woorden of zelfs onze gedachten schade aanrichten. In mijn werkveld kan dit leiden tot een toegenomen risico op conflict of geweld, of het (onopzettelijk) reproduceren van patriarchale, racistische of koloniale patronen.

Misschien was het naïef, maar ik verwachtte niet een dergelijke achteloosheid aan te treffen toen ik me aansloot bij Building Conversation. Was het omdat ik voor het eerst werkte in een creatieve, artistieke omgeving? Of omdat Building Conversation doorgaans bedachtzaam en grondig is het toegewijd onderzoeken van onze patronen van interactie en expressie, en het uitproberen van alternatieve manieren om met elkaar in gesprek te gaan in wat ik opvatte als een radicale poging om ons nieuwe toekomsten te verbeelden?    

Terwijl ik me verdiepte in de gespreksvormen, er over las op onze website en luisterde naar de mondelinge inleidingen die mijn collega’s voor deelnemers en trainees hielden bij aanvang van elk gesprek (ik werkte als gespreksbegeleider in het straatteam), begon mij iets op te vallen over de manier waarop hierbij naar inspiratiebronnen werd verwezen. Telkens als gesproken werd over de culturele kennis van Indigenous people (oorspronkelijke bewoners) – i.e. praktijken van Inuit, Māori en Canadese First Nations die het Gesprek zonder Woorden, onderdelen van het Agonistisch Gesprek en de Time Loop hadden geïnspireerd – werden de woorden van Building Conversation opeens vaag. In plaats van deze bronnen te erkennen werd de oorsprong van de betreffende theorieën en gebruiken eerder verdoezeld of zelfs verkeerd voorgesteld.

Toen ik mijn bedenkingen deelde tijdens een teamvergadering werd ik nogmaals verrast. In plaats van een defensieve reactie vertelden mijn collega’s mij dat zij zich ook ongemakkelijk voelden over de wijze waarop bepaalde inspiratiebronnen werden genoemd en erkend. In plaats van snel over te schakelen naar een minder ongemakkelijk onderwerp praatten we verder over dit ongemak en over vragen rond toe-eigening en representatie die ook eerder door een aantal deelnemers waren gesteld. Mijn collega’s voelden al een tijd het verlangen om iets met deze vragen te gaan doen, en zij verwelkomden mijn voorstel om concrete stappen te zetten.

Eerst nam ik kritisch de teksten op onze website door (de geschreven teksten zijn bijna identiek aan wat wordt voorgedragen bij wijze van introductie aan een gespreksvorm) om aan te geven wat in mijn ogen problematisch was, en stelde wijzigingen voor. We spraken af dat ik niet alleen zou kijken naar technische ingrepen om de verantwoording van bronnen te verbeteren, maar dat we zouden verder praten over vervolgstappen om ervoor te zorgen dat wij als organisatie zorgvuldiger, ethischer en meer wederkerig worden in hoe wij omgaan met kennis, en met onze kennisrelaties, als onderdeel van onze creatieve praktijk.

Deze teamvergadering in 2019 en het proces dat daar op volgde heeft mij laten zien dat Building Conversation niet alleen praat over de noodzaak om moeilijke, ongemakkelijke onderwerpen te bespreken, diepgaand te reflecteren op je eigen gedrag en te leren in (soms confronterende) dialoog met anderen. Ze is bereid, enthousiast zelfs, om het in praktijk te brengen. In het volgende stuk deel ik een aantal van de inzichten die deze ‘learning journey’ tot nu toe heeft opgeleverd. Voor mij begon deze reis pas bij die bewuste teamvergadering omdat het voor mij het moment was dat ik voelde dat ik echt aan boord wilde komen bij Building Conversation. Het is een doorgaand gesprek waarvan ik hoopvol ben dat het ons verder zal brengen in niet alleen een steeds scherper bewustzijn van onze blinde vlekken, maar in meer bedachtzame ontmoetingen, werkelijke dialogen en het delen van verhalen op manieren die aan ons allemaal recht doen.   

– 2. Onze blinde vlekken in

Misschien moet je een blinde vlek niet zozeer zien als een belemmering, zoals een gebrekkige lens. Als je het zo stelt wordt het makkelijk een excuus om onze onwetendheid te legitimeren over dingen waarvan wij de luxe hebben om ons niet bewust te zijn. Wat als wij het beschouwen als een gang? Een die we keer op keer kiezen om niet in te gaan. Door niet deze gang in te gaan, om degenen te ontmoeten voor wie onze blinde vlekken gapende wonden zijn, en onszelf kritisch en verantwoordelijk te onderzoeken en situeren in relatie tot wat we observeren, houden we onze blinde vlekken op hun plek. Onze blinde vlekken overkomen ons niet, zoals de regen of een moedervlek. Het zijn dingen die we leren, en herhalen, totdat we ze beginnen af te leren. Dus laten we deze gang inlopen, en beginnen met een proces van leren van wat en wie we hier tegenkomen.  

– 3. Lezen van de routebeschrijving

Welke problemen bracht de tekst review aan het licht? Ik bekeek de drie teksten die de Time Loop, Gesprek zonder Woorden en het Agonistisch Gesprek beschrijven, waarbij ik aandacht besteedde aan de manier waarop diverse inspiratiebronnen in deze teksten erkend worden. Ik keek naar hoe makkelijk of moeilijk het is om met de gegeven informatie meer te weten te komen over een bestaande praktijk of theorie die in de tekst genoemd wordt. Ook was ik alert op geladenheid in gebruik van taal, vooral met betrekking tot waarden die met specifieke woorden of classificaties geassocieerd worden en die een bepaalde culturele of ideologische betekenis met zich meedragen.      

1. Gesprek zonder Woorden

De tekst die op 24 februari 2020 op de website te lezen was verwees naar het werk van Marina Abramović. Daarvan diende vooral het werk ‘The Artist is Present’ als inspiratiebron. Rond het werk van Abramović ontstond controverse naar aanleiding van een denigrerende beschrijving, met racistische ondertoon, over Australische Aboriginals in een ongepubliceerde versie van haar memoires. Ook is Abramović bekritiseerd in de media vanwege haar gebrek aan betekenisvolle reflectie op haar eigen positie als witte kunstenaar die haar voordeel doet met ‘de [Indigenous Australische] cultuur door er de onderdelen af te romen die ze nuttig of interessant vond.’ In de tekst op onze website werd niets gezegd over deze controverse.

Ook werd in de Building Conversation tekst verwezen naar een ‘jaarlijkse bijeenkomst van de Inuits.’ Mijn online onderzoek leverde niets op waarmee ik kon bevestigen dat een dergelijke jaarlijkse bijeenkomst plaatsvindt (of vond) onder Inuit in Canada, Groenland of Alaska. Mocht dit wel zo zijn dan werd ik met de beschikbare informatie hierover via google in elk geval niet wijzer. 

Building Conversation mede-oprichter Lotte van den Berg herinnert zich dat een collega haar ooit vertelde over deze bijeenkomst, maar geeft toe dat ze destijds niet voldoende onderzoek heeft verricht om de juistheid van dit verhaal te checken. De collega is gevraagd om aanvullende informatie, maar kon deze niet geven. Op een gegeven moment is antropologe Nina Stegeman gevraagd om extra onderzoek te doen, maar ook zij kon niets vinden over dit gebruik, ook niet na navraag bij vakgenoten. Sindsdien is het vraagstuk blijven liggen, in twijfel over het al dan niet maar in zijn geheel verwijderen van de vermelding.  

Ik merkte op dat het woord ‘stamhoofd’ mij persoonlijk rillingen bezorgt (en doet denken aan Kuifje stripboeken) vanwege de connotatie met een bepaald type etnografisch discours – inclusief neerbuigende terminologie zoals tribaal, inboorling en primitieve gemeenschappen welke voortkomt uit koloniale classificaties die bepaalden dat een koloniaal Rijk maar een koning(in) kon hebben, en daarom de ‘tribale’ koningen beter als stamhoofd werden aangeduid. Ten slotte kwam ik er achter dat Inuit sociale structuren traditioneel niet bijzonder hiërarchisch zijn en, ongeacht de titel, zulke machtige figuren niet of nauwelijks voorkwamen in Inuit samenlevingen in wat we nu kennen als Canada. In plaats daarvan spelen ouderen een belangrijke rol in leiderschap en besluitvorming. Overigens zijn er vele verschillende Inuit gemeenschappen in Canada, Groenland en Alaska wiens tradities en bestuursregelingen niet alleen enorm variëren maar ook in een veranderende context zijn aangepast. Zo worden om rechten, welzijn en belangen van Inuit te behartigen in het hedendaagse Canada leiders afgevaardigd die meerdere Inuit groepen en organisaties op nationaal niveau vertegenwoordigen.

Gebaseerd op het gebrek aan bronnen hierover ben ik niet overtuigd dat een praktijk van urenlang samenzitten in stilte een onderdeel is van Inuit politieke of bestuurlijke cultuur. Zelfs als er enige waarheid schuilt in de oorspronkelijke anekdote is het ontbreken van een te verifiëren bron reden voor rectificatie. 

Naar aanleiding van het bovenstaande hebben we inmiddels een paar stappen gezet om de tekst aan te passen. Ik vond online een interessante hulpbron, samengesteld door Elijah Tigullaraq, bilingual language consultant bij de Qikiqtani School Operations in Nunavut, Canada, waarin beschreven wordt hoe non-verbale communicatie, met gebruik van gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal een belangrijk onderdeel vormt van traditionele Inuit communicatietechnieken. Aan de hand hiervan verwijst de tekst nu naar ‘verschillende Indigenous praktijken waarin het samenzijn in stilte, zonder te spreken wordt beoefend’, waarbij meer detail over de woordloze communicatie bij Inuit (en eventueel Australische Aboriginals) nog wordt toegevoegd.

2. Agonistisch Gesprek

Na een korte introductie van de ideeën van Chantal Mouffe die oproept tot ‘een ‘agonistische ruimte’ waarin agonisten tegenstanders zijn – niet te verwarren met antagonisten, vijanden’, was het eerste dat mij opviel aan de tekst die ik op 24 februari 2020 op de website aantrof het contrast tussen hoe de ideeën van Mouffe tegenover de praktijken van de Māori worden neergezet. Het is duidelijk dat de theorie van Mouffe diverse praktijken kan begeleiden, maar door Mouffe’s ideeën hier ‘theorie’ te noemen en de ideeën van Māori ‘praktijken’ verdoezel je eigenlijk dat Māori praktijken ook gebaseerd zijn op theorie. In feite is er sprake van een complex wereldbeeld (bekend als kōrero tawhito) dat bestaat uit theorieën en inzichten met betrekking tot hoe de wereld in elkaar zit, hoe de samenleving gestructureerd is en menselijke interactie wordt georganiseerd.

Deze theorieën en inzichten werden doorgegeven via generaties door middel van orale traditie (verhalen) die richting geven aan sociale praktijken en gedragscodes. Net als bij theorieën in een Westerse wetenschappelijke context, zijn Māori gebruiken (Tikanga in te reo Māori) geen statische regels, maar vormen een levend, evoluerend kennissysteem dat zich ontwikkelt door de tijd, reagerend op een veranderende context. 

Dan is er nog de vraag naar welke Māori praktijk eigenlijk verwezen wordt in deze tekst. Het zou pōwhiri kunnen zijn (een Māori welkomstceremonie) die bestaat uit een uitgebreide procedure inclusief redevoeringen aan beide zijden, voordat zowel de bezoekende als de ontvangende partij de wharenui (ceremoniële ontmoetingsplaats) betreden. Maar heeft de pōwhiri een onderdeel waarbij de partijen met elkaar praten terwijl zij op de grond liggen? Of is dit onderdeel gebaseerd op wat gebeurt wanneer de partijen de wharenui ingaan? De wharenui wordt beschouwd als een ruimte van eenheid en vrede, terwijl de marae, de ruimte voor de wharenui, kan fungeren als plek om op conflicten in te gaan.

Net als bij het eerder genoemde Inuit gebruik blijft het vaag over welke Māori praktijk het hier gaat die (elementen van) de ‘simpele choreografie waarin deelnemers steeds andere fysieke posities innemen tegenover elkaar’ inspireerde die Agonistisch Gesprek wordt genoemd. In reactie op mijn opmerkingen stellen we vast dat meer helderheid zou helpen over welk onderdeel van het Agonistische Gesprek, dat bestaat uit drie onderdelen, is geïnspireerd op welke theorie of praktijk. Ook besluiten we de beschrijving scherper op te delen in een deel dat beschrijft wat precies gebeurt in het gesprek, en een deel dat beschrijft waar het gesprek op is geïnspireerd. Het risico dat de verwijzing naar Māori ceremonies overkomt als een soort gebaar van exotistisme wordt daarmee (hopelijk) vermeden.    

3 Time Loop

Lotte vertelde mij hoe zij enige jaren terug met een Indigenous theatergroep uit het Great Lake District in Canada samenwerkte op een kunstfestival. Een van de leden, een man genaamd Joe, vertelde haar hoe in zijn cultuur het gebruikelijk is om de voorgaande en de toekomstige generaties te raadplegen bij het nemen van belangrijke beslissingen. Dit gesprek inspireerde Lotte tot het maken van de Time Loop.   

Het leuke aan dit geval is dat de bron een persoon is met een naam, en iemand die beschouwd kan worden als een insider van de gemeenschap wiens culturele kennis (of tenminste een stukje daarvan) een gespreksvorm inspireerde. Maar in plaats van Joe of de Debajehmujig Theatergroep bij naam te noemen verwijst de tekst op onze website alleen naar ‘de praktijk van de oorspronkelijke bewoners van het Great Lake District in Canada.’ Niet alleen is dit wel een erg generaliserende manier om te verwijzen naar een First Nation (wellicht de Anishnaabag/Chippewa Nation die genoemd wordt op de Debajehmujig website), maar het laat ook na te erkennen wat het specifieke perspectief is dat Osawabine en de Debajehmujig Theatergroep inbrengen op de aard en het doel van verhalen vertellen als een taal-gevende, generatie-verbindende en toekomst-makende missie. Osawabine vertelt bezield over hoe het delen van verhalen deel uitmaakt van een strijd om te overleven vooral voor jonge mensen in First Nations gemeenschappen die het risico lopen het contact met hun erfgoed te verliezen.

Waarom heeft Building Conversation de betekenis van dit verhaal niet geplaatst in de actuele context waarin het werd verteld? En het in plaats daarvan gepresenteerd als een van de huidige werkelijkheid losgezongen ‘weetje’ – schijnbaar wijzend op een ongerept verleden waarin de ‘oorspronkelijke bewoners van het Great Lake District van Canada’ zich los van de moderne wereld nog steeds bevinden, althans zo lijkt de impliciete boodschap. 

We praten over hoe door het afdekken van niet alleen de oorsprong maar ook de concrete bron van dit stukje kennis, een mooie kans is misgelopen om Osawabine en Debajehmujig te linken aan de gesprekken die wij met elkaar bouwen. Door op een of andere manier deze lus te sluiten – niet alleen kennis te onttrekken, maar terug te delen en een kans te bieden om terug te praten – zouden we ruimte kunnen maken voor onze ‘inspiratiebronnen’ om met ons in gesprek te gaan. Om te antwoorden, het oneens te zijn of op een of andere manier hun stem toe te voegen in dit voortgaande gesprek, zo urgent en cruciaal, dat ook gaat over wiens verhalen we vertellen, hoe we dit doen en waarom. 

Een van de tekstingrepen die we overeenkomen is dat een meer concrete verwijzing naar Joe en de theatergroep wordt ingevoegd. Maar we willen ons best doen om ook in de toekomst, waar mogelijk en zinvol met oog op deze meta-dialoog, onze bronnen met naam te noemen en/of hen meer actief uitnodigen om deel te nemen aan onze gesprekken. 

Toen ik mijn bevindingen deelde met mijn collega’s vonden zij ook dat er iets moest veranderen, niet alleen in de manier waarop we inspiratie bronnen erkennen in onze geschreven en gesproken teksten, maar ook in hoe we werkelijke wederzijdse dialoog bewerkstelligen met onze deelnemers en met degenen die op substantiële wijze onze gespreksvormen inspireren.

In aanvulling op onze voortbouwende kritische gesprekken binnen het Building Conversation team, zullen wij ook naar buiten toe openlijk blijven reflecteren terwijl we leren en blijven bouwen aan een meer zorgvuldige, wederkerige creatieve praktijk met jullie en in relatie tot de verhalen die jullie met ons delen – en andersom. 

– 4. Overstap: wordt vervolgd

Jaky Troy, Professor in visual arts education en Aboriginal van de Ngarigu (Pama-Nyungan) in Australië, beschrijft het concept ‘collaborative inspiration’ in het boek ‘Engaging. A Guide to Interacting Respectfully and Reciprocally with Aboriginal and Torres Strait Islander People, and their Arts Practices and Intellectual Property’ (Ghil‘ad Zuckermann et al.). Dit concept wordt uitgelegd en geconcretiseerd in relatie tot copyright en traditionele culturele kennis door middel van een aantal praktische richtlijnen als alternatief voor praktijken die koloniale patronen van ‘exploitatie, plundering en disempowerment’ reproduceren. Collaborative inspiration wordt gekenmerkt door ‘samenwerking en betrokkenheid’ bij gebruikmaking van traditionele, culturele kennis. 

Zoals we weten is het niet genoeg om ons bewust te worden van onze blinde vlekken. Mijn collega’s vonden net als ik dat actie nodig is. Hoe worden we, in de woorden van Linda Tuhiwai Smith (in haar boek ‘Decolonizing Methodologies. Research and Indigenous Peoples’) als onderzoekers in onze omgang met kennis meer ethisch, respectvol, reflexief en kritisch? En kan dit zonder de speelsheid te verliezen die inherent is aan onze praktijk als creatievelingen, makers, experimenteerders en verbeelders? 

Het argument wordt wel eens gehoord dat te veel bewustzijn leidt tot angst om fouten te maken, verstikken van creatieve expressie en het vermijden van risico. Maar afgezien van de reis die hier beschreven is, zullen deelnemers van Building Conversation weten dat meer aandachtigheid, en verantwoordelijkheid nemen voor hoe je te werk gaat niet leidt tot verlies van speelsheid – in tegendeel. Toelaten dat fouten maken onderdeel is van het proces, en bereid zijn om te luisteren naar en iets te doen met feedback sluit het nemen van risico niet uit. Het vergroot alleen de kans dat de uitkomsten van zo’n proces waardevol en betekenisvol zijn voor meer mensen, en minder schade toebrengen.       

Het gesprek wordt vervolgd, en al zal ik ruimte blijven maken om dit te voeren binnen Building Conversation en met ons bredere netwerk van deelnemers, co-makers en inspirators, erkennen en benadrukken mijn collega’s met mij dat de verantwoordelijkheid voor deze inzet niet bij een persoon ligt. Het is juist een gedeelde inzet die van ieder van ons vraagt dat we onze eigen bijdrage leveren in zelfreflectie en om ongemakkelijke gesprekken te initiëren waardoor we steeds beter inzien hoe ook wij soms onopzettelijk juist de systemen versterken die we zo graag willen ontmantelen.